Behind the scenes of the artistic history of William Anthony

Edition: 3

The extended English edition of Musika Maestro.

The Antilliaanse Nieuwsbrief, Volume 43, May / June 2002 issued by the ‘Antillenhuis’ in The Hague:

“His love for the music of Bonaire is rooted in his memories of elderly people from his surroundings making music on self-made stringed instruments made of metal cooking oil can Tralala (blek’i zeta dushi Tralala).”

This book gives a behind the scenes access at the artistic experiences, the challenges and the enjoyable moments of William Anthony.

He also tells briefly about the history of music on the islands of Bonaire, Curaçao and Aruba. And he focuses on the inspired idea behind the creation of some songs. In particular, the connection between the song “Esta Dushi” and the Second World War.

The English edition.
Publication Date: jun 08 2015
ISBN/EAN13: 1511787473 / 9781511787475
Page Count: 86
Binding Type: US Trade Paper
Trim Size: 6″ x 9″
Language: English
Color: Full Color
Related Categories:
Biography & Autobiography / Cultural Heritage
“Musika Maestro” by Anthony & Anthony

About the author:

Julino Willem Anthony (February 23, 1956) was born on Bonaire.

There, he attended the primary school and then the Lagere Technische School (Lower Technical School). This education was completed in Curaçao. Then he started his career at Shell Curaçao N.V. at the company school.

He has performed at many venues as a singer and produced his own CDs. He sometimes also has a gig as an actor and (noble) extra in Dutch television productions, in addition to his regular job.

Furthermore, he enjoys what life has to offer.

Doorzettingsvermogen en Wilskracht

Order at: https://www.createspace.com/5442770

Musika_Maestro_Cover_for_Kindle

Bed of roses with spines

Image

In the preface of my book Musika Maestro wrote the lieutenant governor of Bonaire, Master in law mister Richard hart that the showbiz life is not always a bed of roses. He wished me every success with the book.

Although I knew it, now I have to say indeed it is absolutely not a bed of roses. Even in the smallest corner can happen unexpected activities like this one.

In december 2011 I have release the cd-album Kunuku. It was in Christmas days so I was also busy with ordering some snacks. A person should bring my order. But would stay a surprise who the person was. And I was curious. A couple of days later got a phone call. My order has arrived and I could pick it up in the neighborhood. I went to that house and the person was someone I knew in Curaçao but have not seen for many many years. He was a cameraman of the television station on the island. He told me he was making television programs for online streaming and I told him about my new released album. Well, he said in no time he can sell a couple of the cd. I gave him a couple. Later he asked for a dvd with one of my live performances for a television program. I could use it for one of his programs. So far so good. But months going by without hearing something of this guy. I started to make telephone calls and e-mails without results. I went to that house by walk, by car and by bike but no one at home. It is by now June 3th, 2013, one and a half year ago. Maybe a miracle will happen. But that hope was stored away in a lit. That action seems to me a presentation of arrogance, disrespect and abuse. In this case is it a bed of roses with spines! But after this publication I got my things back. Too bad it had to go in a such way.

Any comments? Just drop a line.


My awesome app is available. Check it out! http://9nl.it/Klik/

Fan music page: http://9nl.it/Rev/

Het verloop van het dekolonisatieproces op een rijtje.

Video

Bij Koninklijk Besluit van 2 december 1978 is de Koninkrijkswerkgroep geïnstalleerd. Deze had de opdracht te onderzoeken “mogelijke relaties tussen de Nederlandse Antillen, de eilanden van de Nederlandse Antillen en Nederland te inventariseren en te onderzoeken”. In het eind rapport van 1980 constateerde de Koninkrijkswergroep ten aanzien van een eventueel gebruik van het zelfbeschikkingsrecht dat het lid van Bonaire is van oordeel dat Bonaire in eerste instantie van het zelfbeschikkingsrecht gebruik dient te maken door met alle overige eilanden van de Nederlandse Antillen een zo hecht mogelijk staatsrechtelijk samenwerkingsverband te vormen. In ieder geval geeft dit lid voorkeur aan het BEHOUDEN VAN STAATSRECHTELIJKE BANDEN TUSSEN BONAIRE EN NEDERLAND (laso directo) EN HET BESCHOUWT DIT EVENEENS ALS UITOEFENING VAN HET ZELFBESCHIKKINGSRECHT.

In de volksraadpleging van 10 september 2004 stemde de meerderheid van de bevolking van Bonaire voor directe banden met Nederland.

Naar aanleiding daarvan is er bij brief van 7 juni 2006 in het kader van de hervorming van de staatkundige verhoudingen van de Antilliaanse eilanden aan de Raad van State om voorlichting gevraagd over constitutionele inbedding van, in dit geval, Bonaire zoals afgesproken volgens de Slotverklaring van de start-Rondetafelconferentie op 26 november 2005.

De vraag was of de Raad verschillende modellen kon schetsen voor de mogelijke staatsrechtelijke vormgeving en constitutionele inbedding van de directe band tussen Bonaire en Nederland.

Op 18 september 2006 publiceerde de Raad van State van het Koninkrijk zijn voorlichting over de op handen zijnde staatkundige hervormingen en stelt onder meer:

“3. De staatsrechtelijke positie van (de eilanden) Bonaire, Saba en Sint Eustatius

3.1. De drie eilanden in het Nederlandse staatsbestel

De afdeling gaat, zoals gezegd, uit van de in het Hoofdlijnenakkoord neergelegde overeenstemming over een bestuursvorm waarbij de eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius rechtstreeks met Nederland verbonden zijn. De hiermee gemaakte keuze wordt niet goed weergegeven door de drie eilanden aan te duiden als “Koninkrijkseilanden”, zoals hier en daar is geschied, of “Koninkrijksgebieden”. Dit zou immers niet duiden op een rechtstreekse relatie met Nederland, maar met het Koninkrijk als geheel. Een (bestaand of daartoe te vormen) orgaan met vertegenwoordigers van de vier landen Nederland, Curaçao, Aruba en Sint Maarten zou dan moeten worden belast met het bestuur van de eilanden, voor zover dit niet aan de lokale eilandelijke autonomie kan worden overgelaten.
De afdeling heeft reeds gewezen op de in de praktijk gebleken ondoelmatigheid van zulke samenwerkingsregelingen. Dat bezwaar wordt nog aanzienlijk versterkt door het feit dat wegens de beperkte schaal van de drie eilanden niet kan worden volstaan met een beperkte ondersteuning- en toezichtfunctie, maar dat zal moeten worden voorzien in taken die in Nederland aan provincie en centrale overheid zijn opgedragen.
Een relatie niet met het Koninkrijk, maar direct met Nederland ondervangt dat bezwaar. Daarin zal echter niet zonder meer het model van de Nederlandse gemeente bruikbaar zijn. Naar bevolkingsomvang zijn de drie eilanden kleiner (twee ervan veel kleiner) dan voor een gemeente wenselijk wordt geacht. Ook naar taken en problemen onderscheiden ze zich sterk. De grote afstand, het insulaire karakter (met bijgevolg eigen lucht- en zeehavens op elk der eilanden), de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en de economische afhankelijkheid van slechts enkele producten(zie noot 20) wijzen er al op dat niet zonder meer op het bekende model van de gemeente kan worden teruggevallen. Meer dan voor een gewone gemeente het geval is, zullen van de algemene Nederlandse wetgeving afwijkende voorzieningen moeten worden getroffen. Deze afwijkingen komen deels voort uit de noodzaak om voor de rechtspleging en -handhaving voorzieningen te treffen voor de Caribische delen van het Koninkrijk gezamenlijk. Daarnaast komen ze voort uit de sociaaleconomische omstandigheden van de regio. Die staan eraan in de weg de meeste Nederlandse wetten inzake belastingen en sociale zekerheid onverkort te volgen.
De afdeling meent dan ook dat geen van deze twee relatief eenvoudige modellen een passend antwoord geeft op de behoeften van de betrokken drie eilanden. Zij geeft in overweging de drie eilanden een positie te verschaffen binnen het Nederlandse staatsbestel die rekening houdt met de bijzondere eisen die aan het bestuur worden gesteld. Dit zou kunnen door deze gebieden, in plaats van ze op te nemen in de gewone structuur van de Nederlandse territoriale decentralisatie (provincies, gemeenten), bij speciale wettelijke regelingen in te richten als openbare lichamen in de zin van artikel 134 van de Grondwet. Op deze basis is eerder het bestuur geregeld voor de Zuidelijke IJsselmeerpolders, Elten en Tudderen, gebieden die om uiteenlopende redenen evenmin pasten in de gewone structuur van de territoriale decentralisatie”.

Op 4 oktober 2006 werd bekend gemaakt dat de eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius een status als openbaar lichaam zullen krijgen.

Het slotakkoord hierover werd ondertekend ter afsluiting van een minirondetafelconferentie in Den Haag op 11 oktober 2006 en werd vervolgens met een ruime meerderheid gesteund door de Tweede Kamer, de Staten van de Nederlandse Antillen en de eilandsraden van Bonaire, Sint-Maarten, Saba en Sint Eustatius.

In 2009 begon de voorbereidingen om een referendum over die afspraak in 2010 te houden. Het referendum stond oorspronkelijk gepland op 15 januari 2010. Maar de eilandsraad besloot later om het referendum te organiseren op 26 maart 2010, echter gezaghebber Glenn Thode startte een procedure op om het referendum niet door te laten gaan, omdat de redenatie voor het referendum “de test van het internationale recht niet zal doorstaan”. Volgens deze procedure (volgens het staatsrecht van de toenmalige Nederlandse Antillen) moest de Gouverneur goedkeuring verlenen aan het besluit van de Gezaghebber. Toenmalig Gouverneur van de Nederlandse Antillen Frits Goedgedrag besloot dat de beslissing van gezaghebber Thode gegrond was en weigerde het referendum uit te schrijven. Het referendum vond hierdoor pas plaats na de opheffing van de Nederlandse Antillen.

De eilandsraad had voor het oorspronkelijke referendum in januari, nog voor de integratie van Bonaire binnen het Nederlandse staatsbestel, de vraagstelling voor het referendum al vastgelegd. De volgende keuze zou moeten worden voorgelegd:

“Ik wil dat Bonaire een rechtstreekse band met Nederland zal hebben in de vorm van:

A. Associatie (Bonaire krijgt een eigenstandige positie binnen het Koninkrijk) of
B. Integratie (Bonaire wordt deel van Nederland)”

Ook nadat Bonaire was toegetreden tot het Nederlands staatsbestel en het eiland een openbaar lichaam van Nederland was geworden, bleef er de wens voor een referendum. Na overleg met de minister van Binnenlandse Zaken heeft de Eilandraad besloten het referendum toch door te laten gaan. Het nieuwe referendum op werd georganiseerd op 17 december 2010.

De oude vraagstelling was reeds achterhaald, nadat Bonaire geïntegreerd was als openbaar lichaam. Daarom heeft de Eilandsraad een nieuwe vraagstelling bedacht voor het referendum:

“Ik ben het ermee eens, dat Bonaire een openbaar lichaam is geworden in de zin van artikel 134 van de Nederlandse Grondwet: “Ja” of “Nee”.”

De opkomst was 35% stemmers en heeft de 51% niet gehaald. Daardoor is het referendum ongeldig verklaard. Zeer dom van de 65% thuisblijvers, die op advies van politieke partijen niet zijn gaan stemmen. Als zij blanco zou hebben gestemd zou dat als opkomst geteld worden. Een blanco stem wordt wel meegenomen bij het bepalen van de opkomst (het aantal mensen dat naar het stembureau is gekomen om te stemmen). Een blanco stem telt niet bij de berekening van de uitslag en de kiesdeler/kiesdrempel. Daarvoor worden uitsluitend de stemmen geteld die zijn uitgebracht op een van de kandidaten.

Het wetsvoorstel strekkende tot het opnemen van een constitutionele basis voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de grondwet, conform het voorgestelde artikel 132a van de grondwet, is op 27 december 2011 ingediend door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en is op 23 oktober 2012 door de Tweede Kamer aangenomen.

In hun gezamenlijke commissievergadering van 19 maart 2013 inzake de verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een constitutionele basis voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het regelen van de betrokkenheid van hun algemeen vertegenwoordigende organen bij de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer hebben de leden van de vaste commissies voor Koninkrijksrelaties en voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis der Koningin, na kennisneming en weging van opmerkingen terzake in de memorie van antwoord en mede naar aanleiding van gesprekken met de bestuurders van de openbare lichamen, besloten om de schriftelijke behandeling van het voorstel op te schorten totdat de evaluatie van de nieuwe staatskundige structuur binnen het Koninkrijk in 2015 heeft plaatsgevonden.  Hiermee wordt, volgens de Eerste Kamer, recht gedaan aan de volgtijdelijkheid van een evaluatie van de staatkundige structuur voordat een (nieuwe) staatkundige structuur in de Grondwet wordt vastgelegd.

In dit opsomming heb ik twee opmerkingen.

Om te beginnen de vergelijking gemaakt door de Raad van State met andere territoriale openbare lichamen binnen het Europese deel van Nederland, zoals de Zuidelijke IJsselmeerpolders, Elten en Tudderen, voor toepassing van artikel 134 van de Grondwet als de grondslag voor de openbare lichamen in het Caraïbische deel van Nederland. Dit klopt niet.

Tot 10 oktober 2010 vormden deze eilanden het land Nederlandse Antillen die een autonome status had. Ze waren geen Nederlands overheidsorganen. Het land Nederlandse Antillen was ook geen Nederlands overheidsorgaan. Maar vormde samen met Aruba en Nederland het Koninkrijk der Nederlanden. Drie aparte landen binnen het Koninkrijk. De structuur van de territoriale decentralisatie of te wel de bevoegdheden tussen verschillende overheidsniveaus vielen in het land Nederlandse Antillen. 

Derhalve voor de keuze om Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan te merken als openbaar lichaam conform artikel 134 Grondwet had de uitslag van de zelfbeschikkingsreferendum eerst vooraf moeten gaan. Daarna kon men een vorm gaan gieten. “Laso directo” was te ruim geformuleerd en het was te voorbarig om dan te concluderen dat daarmee integratie binnen het Nederlandse staatsbestel het enige mogelijkheid was terwijl een keuze voor associatie naar voren is geschoven. Voormalige staatssecretaris mevrouw Ank Bijleveld-Schouten heeft het onwenselijk geacht op de uitslag van het zelfbeschikkingsreferendum op Bonaire te wachten.

Misschien ook wel handig te vermelden dat de gebieden, de Zuidelijke IJsselmeerpolders, Elten en Tudderen, genoemd in de voorlichting van de Raad van State zijn ontstaan door drooglegging van delen van de voormalige Zuiderzee.

De andere opmerking is dat vanuit een politieke partij wordt gedacht dat het houden van het zelfbeschikkingsreferendum een kwestie van politiek is die op een verkiezingsprogramma geplaatst kan worden voor de verkiezingscampagne. Dit is ook onjuist. De eilandsraden zijn verantwoordelijk voor het organiseren van een zelfbeschikkingsreferendum maar dit recht is op grond van de resoluties 1514 (XV), 1541(XV) en 2625 (XXV) van de Algemene Vergadering van de VN toegekend aan de bevolking en niet aan politieke partijen. Ook in artikel 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten is het zelfbeschikkingsrecht vastgelegd.

Hoe dan ook strookt verdere behandeling van het wetsontwerp nadat de evaluatie van de nieuwe staatskundige structuur binnen het Koninkrijk in 2015 heeft plaatsgevonden zonder het uitslag van een zelfbeschikkingsreferendum niet met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel waaraan ook bij het tot stand brengen van rechtmatige wetgeving voldaan moet worden; de algemene beginselen van behoorlijke wetgeving.

Thans hebben zowel op Bonaire als op Sint Eustatius organisaties een petitie opgestart met het verzoek aan de lokale overheden al datgene te doen wat nodig is om het recht van zelfbeschikking in vrijheid te kunnen uitoefenen.

http://url4u.nl/Statia

http://url4u.nl/referendum

Bronnen:

  • Compendium van het staatsrecht / door T. Koopmans 1984 Kluwer B.V.
  • Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 15
  • Rapportage Referendumcommissie Bonaire 2009
  • Brief van 7 juni 2006, kenmerk DGM/DBM 2006262415 van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties
  • Voorlichting Raad van State 18 september 2006
  • Besluit Gouverneur nr. HT-10/0011 – 12 februari 2010
  • wikipedia.nl
  • parlementairemonitor.nl
  • Brief 02 februari 2010 van Gezaghebber Thodé
  • dutchgenealogy.nl

Alle fouten voorbehouden (2013).
Aanvulling en reacties kunnen als comment geplaatst worden.

http://amzn.com/B006K9TYM0

Inzake fysiotherapie BES / Inzake het voorstel grondwetswijziging

Volgens de Eerste Kamer heeft dus iedereen die bezwaar maakt tegen het voorstel Grondwetswijziging individuele problemen. Wat zal het volgende worden?Image

datum 26 februari 2013

Geachte heer Smaal,

Hierbij wil ik de ontvangst bevestigen van uw brief van 12 februari 2013 inzake fysiotherapie BES. Uw brief is ter kennis gebracht van de vaste commissies voor Koninkrijksrelaties en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
De Eerste Kamer heeft volgens de Grondwet een rol bij de totstandkoming van wetgeving en bij de controle van de regering. Burgers kunnen de leden behulpzaam zijn bij hun wetgevende en controlerende werk door hun bezwaren te melden. Om die reden dankt de commissie u voor de moeite die u heeft genomen om uw problemen op te schrijven. Uit brieven van burgers kunnen problemen en misstanden gesignaleerd worden die breder voorkomen en bijgestuurd moeten worden of die niet in voorgestelde wetgeving terecht zouden moeten komen. Fracties beoordelen deze informatie tegen de achtergrond van hun programma’s. Vervolgens is het de vraag of er een meerderheid in de Kamer bestaat om veranderingen tot stand te brengen.
Eerste Kamerleden mogen schriftelijke vragen aan de regering stellen over onderwerpen die niet direct met een wetsvoorstel te maken hebben. Van dit recht maken zij echter maar beperkt gebruik. Controle van het actuele regeringsbeleid is – zo wordt algemeen gevonden – in de eerste plaats een zaak van de Tweede Kamer.

Over het algemeen kan de Kamer geen invloed uitoefenen op de concrete afwikkeling van individuele problemen, omdat ook ministers en staatssecretarissen vaak niet de bevoegdheid hebben te beslissen over individuele gevallen. Juist om zorgvuldig om te kunnen gaan met de belangen van alle afzonderlijke inwoners van ons land is de uitvoering van heel veel wetten in handen gelegd van vele instanties die dichter bij de burger staan en de tijd hebben zich in dossiers te verdiepen. De rechtspraak is in handen gelegd van onafhankelijke rechters. Veel mag ook geregeld worden door lokaal bestuur. Als medewetgever is het voor de Eerste Kamer steeds een punt van aandacht dat ook de mogelijkheden van bezwaar en beroep goed geregeld zijn voor burgers die het niet eens zijn met besluiten die hen raken, zonder daar overigens zelf een rol in te spelen. Ook de Nationale Ombudsman kan individuele klachten in behandeling nemen die betrekking hebben op het functioneren van overheidsorganen.

Hoewel u mogelijk teleurgesteld bent in de mogelijkheden die deze Kamer heeft om uw individuele problemen op te lossen, mag u er op vertrouwen dat de leden van deze Kamer zich bij elke brief de vraag stellen of er wellicht iets in de algemeen geldende regels te kort schiet en aangepast moet worden.

Hoogachtend,
De plv. griffier van de Eerste Kamer,

Mr. Warmolt de Boer

==============================================================

http://caribischnetwerk.ntr.nl/2013/03/05/positie-bes-liever-niet-zo-snel-in-de-grondwet/

datum 12 maart 2013

Geachte heer Anthony,

Hierbij wil ik de ontvangst bevestigen van uw brief van 3 maart 2013 inzake het voorstel grondwetswijziging. Uw brief is ter kennis gebracht van de vaste commissies voor Koninkrijksrelaties en voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis der Koningin. De Eerste Kamer heeft volgens de Grondwet een rol bij de totstandkoming van wetgeving en bij de controle van de regering. Burgers kunnen de leden behulpzaam zijn bij hun wetgevende en controlerende werk door hun bezwaren te melden. Om die reden dankt de commissie u voor de moeite die u heeft genomen om uw problemen op te schrijven. Uit brieven van burgers kunnen problemen en misstanden gesignaleerd worden die breder voorkomen en bijgestuurd moeten worden of die niet in voorgestelde wetgeving terecht zouden moeten komen. Fracties beoordelen deze informatie tegen de achtergrond van hun programma’s. Vervolgens is het de vraag of er een meerderheid in de Kamer bestaat om veranderingen tot stand te brengen.
Eerste Kamerleden mogen schriftelijke vragen aan de regering stellen over onderwerpen die niet direct met een wetsvoorstel te maken hebben. Van dit recht maken zij echter maar beperkt gebruik. Controle van het actuele regeringsbeleid is – zo wordt algemeen gevonden – in de eerste plaats een zaak van de Tweede Kamer.

Over het algemeen kan de Kamer geen invloed uitoefenen op de concrete afwikkeling van individuele problemen, omdat ook ministers en staatssecretarissen vaak niet de bevoegdheid hebben te beslissen over individuele gevallen. Juist om zorgvuldig om te kunnen gaan met de belangen van alle afzonderlijke inwoners van ons land is de uitvoering van heel veel wetten in handen gelegd van vele instanties die dichter bij de burger staan en de tijd hebben zich in dossiers te verdiepen. De rechtspraak is in handen gelegd van onafhankelijke rechters. Veel mag ook geregeld worden door lokaal bestuur. Als medewetgever is het voor de Eerste Kamer steeds een punt van aandacht dat ook de mogelijkheden van bezwaar en beroep goed geregeld zijn voor burgers die het niet eens zijn met besluiten die hen raken, zonder daar overigens zelf een rol in te spelen. Ook de Nationale Ombudsman kan individuele klachten in behandeling nemen die betrekking hebben op het functioneren van overheidsorganen.

Hoewel u mogelijk teleurgesteld bent in de mogelijkheden die deze Kamer heeft om uw individuele problemen op te lossen, mag u er op vertrouwen dat de leden van deze Kamer zich bij elke brief de vraag stellen of er wellicht iets in de algemeen geldende regels te kort schiet en aangepast moet worden.

Hoogachtend,
De plv. griffier van de Eerste Kamer,

Mr. Warmolt de Boer